Oppenheimer en Einstein zijn dood

Het schemerde door een naderende herfstavond. Natuurvorsers Albert Einstein en Robert Oppenheimer, naar het hof geroepen door een boodschapper wier hele bestaan ze heden vaag leek als een droom die bij beiden de herinnering aan werkelijks had veroverd, glimden - met roodschrale tronies van een wekenlange trektocht door regengeteisterde winden van het vaderland, immer onaangenaam tot meedogenloos bovenmenselijk hoeder der lange-afstandsreizigers - uitgezakt in de verweerde zadels op hun reeds dagen ongeruste paarden; twee ribmagere beesten die van de honger al lang niet meer draven konden, zulks evenals hun lastdieren...

Oppenheimer duwde de bemodderde schede van een degen, die langs de buitenzijde van zijn linkerbeen afhing van zijn riem, opzij, tastte even in de lederen buidel op zijn heup en haalde daaruit een gouden florijn te voorschijn.

"Kop of munt", vroeg hij aan zijn kompaan die hem vanwege inmiddels pure wanhoop - door de omstandigheden van z'n huidige kouddoorweekte bestaan, alsmede het feit dat Oppenheimer in voorgaande weken van uitputtende opgang daarnaartoe nog bijna geen moment diens bek dicht hield, dat terwijl die heel goed wist hoe Einstein op lange ritten eigenlijk het liefst vooral in rust en stilte op het voorbijglijdend bestaan en betekenissen daarvan contempleerde - op hoge toon toebeet: "Welja Robert, doe maar weer munt dan!".

Robert wipte het muntstuk vanaf zijn geknuiste rechterhand omhoog met een vlugge beweging van de duim waarop het rustte en ving, juist terwijl het ros waarop ie immer voortbewoog zich over een stel keien verstapte en een door Oppenheimer compleet onvoorziene zwenkbeweging naar rechts maakte, het goudglimmend projectiel vervolgens, met bij gewoonlijk stomdronkenschap getrainde behendigheid waarvan hij zich op ditzelfde moment enigszins trots besefte dat die hem heden nuchter zeer goed van pas kwam, op in zijn andere...

Een vlaag van hongerduizeling overviel echter onmiddelijk de bekwaam ruiter, die met een linkswaartse buiteling voorover uit het zadel lazerde en - via een perfecte parallel langs de baan van edelmetaalgeslagen waarde welke net nog in de halfopen palm van diens linkerhand verkeerde - met luide smak van voet tot smoelwerk in de modder, plat op z'n buik, pal tussen de harde kern van zijn onderzoeksmethode en de veel hardere - grondig ijzerbeslagen - voorhoeven van het inmiddels stilstaande paard belandde..

"Gaat het?", vroeg Einstein.

Oppenheimer tilde zijn hoofd wat op, veegde de slijk van het gezicht, bekeek z'n platcilindrisch instrument en zei: "Kop!!" 

"Nog steeds kop!!! Das toch raar?!", zo sprak hij nogmaals.

Kansberekening was meer dan een hobby voor Robert, die zich bijna altijd en overal, nagenoeg dwangmatig, leek te moeten bemoeien met vaststellingen van het toeval. Vandaar ook regelmatig werktuigen zoals dobbelstenen en speelkaarten of - bij gebrek aan bier-, wijn-, pis- en braakseldoordrenkte herbergen en paleizen om zulke nobele gereedschappen fatsoenlijk te hanteren - soms doodgewone muntstukken toepastte als meetapparaten daartoe.

Sinds minstens enkele dagen - een herinnering waarvan de oorsprong overigens zo vaag was als de boodschapper waarmee hun queeste aanving - leek de realiteit - en Oppenheimer, vanzelfsprekend beducht voor scheefgewogen exemplaren, had die natuurlijk met verschillende muntstukken getest - niet meer gehoorzaam aan basale natuurwetten waarvan beide reizigers ooit tot in de kern van hun bestaansbesef waren doordrongen..

Over aard van- en conclusies uit dat een en ander waren ze nog in onenigheid, waar Oppenheimer - kortgezegd - schatte dat het ganse universum tot rariteit zou kunnen zijn vervallen ten gevolge van een kennelijk extern opgelegde nieuwe bedoeling, maar Einstein - niet overtuigd van die vaststelling - met name meende hier de dupe te zijn van zinsbegoocheling middels een of andere truc van zijn metgezel die hem gewoon zat te besodemieteren.

"Welkom! We stonden juist op jullie te wachten!!", donderde plots een zware stem uit de inmiddels ingevallen duisternis...

Oppenheimer had zich reeds overeind gewerkt naar een herstrekking in verticalere dimensies en tuurde, in die wederzelfverheven nagenoeg haakse stand op onze plaatselijk doorvochtigde aardkorst, tezamen met zijn nog te eigen grotegrazersrug gezeteld kameraad naar het vooruit van hun eerdere rijrichting waarin ze nu voorzichtig - Robert te voet en Albert te paard, met beiden voor de zekerheid een hand op de heften der degens - hun weg vervolgden..

De omvang van een huifkar doemde op uit het donker van de nacht. Rondom het gevaarte - een woonwagen zo bleek, wat naderbij gekomen - waren de wazige contouren van mensachtige wezens druk in beweging tussen een tegelijkertijd gestaltekrijgend podium en coulissen. Bovenop de planken van dat wordend platform stond een klein kereltje in een dof grijs maatpak.

"Ik ben John von Neumann, exact en precies speelman van beroep...", zei het kereltje.

"Hallo", zei Oppenheimer, "Dit is Oppenheimer en ik ben Einstein...". "Nee wacht", vervolgde hij, "Ik ben Oppenheimer en dit is Einstein.".

Allebei hadden, zo haltgehouden, de handvatten van het gordelgedragen, altijd scherpgehouden wapentuig - dat ze als mannen van de wetenschap uit principe voor niets anders dan zelfverdediging overal meedroegen - inmiddels losgelaten.

"Duidelijk, om het even, want we zijn immers allemaal acteurs in één groot schouwspel", zei Von Neumann, "Dat wil zeggen: behalve de figuranten natuurlijk! Maar zulk gespuis rest slechts uiteindes per in schimmen snijdende messen, eventueel een definitief aan het eind van speer of zwaard... Danwel totale vergetelheid.. Of beide.".

"En, mijn beste gasten, voor een paar dukaten of een duit, spelen wij eenmaal wat u wilt: subversie, moord en staatsgrepen op krankzinnige schurkenarchetypes, tot en met luchtig drama of vrolijk blijspel..."

"Of - grootser nog - een waar meesterstuk van zielsverkerende combinaties, uiteengezet onder distractieve samentrekkingen van met schuivende belichting en toneelattributen veroorzaakt schaduwspel dat, met wiskundige precisie, uiteindelijk al uw zinnen knecht aan één onzichtbaar plot..."

"Een compleet nieuwe wereld van schijnbewegingen, om uw geest in te hechten. Waar u dan vanzelfsprekend telkens voor blijven betalen wilt."

"Zoiets kost u nu misschien een paar centen extra, maar levert mij daarentegen eeuwig kostbaar en duur plezier op..."

"En voor wat, hoort immers wat."

"Zegt u het maar! Wat zal het wezen, wat zal het zijn?"

"Het één..." 

"Óf nóg meer daarvan plús exact datzelfde?"

"En mag ik u dan - ondertussen uw gevangenendillema, want maak u geen vergissing of illusies over hetgeen dit hier op zich is - wellicht eventjes voorstellen aan het nieuwste talent in ons gezelschap?"

"Een briljant verbeelder, echter vooral als protagonist in precies het verhaal dat u momenteel staat te overkomen, die u beider huizen ooit innig bewonderde, maar sinds enige tijd permanent meereist met het - ideologisch losbandigere - karrenwielgedragen circus dat ik mijn eigenste noem, over de nauwe richels tussen naïviteit en paranoïa via welke binnenkort ook u spel onder adelstandse aandacht kan aanbelanden..."

"Recht naar het exclusieve centrum der zwaartekrachten die direct met klinkende munt inwerken op al dat draalt en draait.."

"Mocht u zulks überhaupt ambiëren natuurlijk..."

"Laat de jonge graaf Robbert hier dan vanavond uw gids zijn door onze fantastische waanvoorstelling.."

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Ha Jimmy! Wat fijn dat je dat je toch weer zelfstandig poseren kunt na die bijna fatale smak van laatst...

Wauw!!

Live verslag uit Smurfenland